# 20 - Beroeringen
...Wat?
Hoe zit het met je romantische leven.
Ik ben niet romantisch.
Ik lees alleen maar historische boeken.
Zelfbevrediging?
Absoluut.
Dat heb ik toch al een keer gezegd?
Eh, ja.
Ik begon daar vroeg mee.Het is goed tegen prostaatkanker, heb ik gelezen.
Aangeraakt worden is ook gezond.
...
Maar jij raakt alleen jezelf aan.
Voortdurend.
...
...
Nou ja.. het is toch mijn lijf?
...
...Prostituees?
...
...
"Eén keer."
...
Niet bevallen.
...
Ik heb de neiging ze uit zo'n kit te halen.
En straathoeren, die doe ik niet. Daar ben ik vies van.
De dag van zijn negen en twintigste verjaardag. Het moest nu. Omdat het zo beschamend als je op je dertigste je onschuld verloor. Of nog later.
Ze had een Spaanse naam- Sonia - maar ze lag niet als een Goyaanse Maya op het bed. Ze stond voor de wastafel, alsof ze haar panties aan het uitspoelen was.
Hij, op sokken en, tegen zijn gewoonte in, een onderbroek, voelde zich een kermisattractie. Hij was ook te fors voor een kamer die volgestouwd leek met meubeltjes en een tweepersoonsbed en heel veel Oosterse aandoende prullaria in zuurstokkleuren en namaakgoud. Het geurde er naar wierook. Wie brandde dat nog?
...Ik heet Helmer. En jij Sonja?
“...Sonia.“
Het was duidelijk niet haar echte naam.
“Even je jongeheer een badje geven. Regels van het huis, lieverd.”
Ze wachtte.
Ze was geen exotische schoonheid, en jong ook niet meer. Ze had mooi haar maar haar borsten waren pafferig en bijna ongezond wit. De hoven om de tepels waren erg groot en hadden de kleur van roze marsepein. Hij vond het lelijk. Toch was dat niet de reden waarom zijn benen weigerden. Hij vond mensen niet gauw afstotelijk. Hij kon zich dat niet veroorloven.
“Op deze manier vrees ik dat je een half uurtje zult moeten bijboeken”, waarschuwde ze hem met een schalkse glimlach.
Ze had geen makkelijk beroep. Iemand als hij kon sullig lijken, maar zich ontpoppen als een jan met de losse handjes.
Alsof hij haar kwaad kon doen. Vrouwen, nooit.
Ze draaide de kraan dicht en sloot haar roze met gouden ochtendjas. Alsof ze zich voorbereidde op moeilijkheden.
“Ik doe geen kwaad- het is alleen...het is moeilijk voor mij.”
Hij voelde zijn gezicht gloeien.
“Voor jou ook...Denk ik.”
Ze praatte vlot en luchtig tegen hem. Het klonk evengoed alsof ze een vast repertoire afdraaide. Voor Moeilijke Types. Ontspanningstherapie, of zoiets.
Had ze maar een kat. Als ze een katje of een hondjehad gehad, zou hij zich meer op zijn gemak gevoeld hebben.
“Sorry. Ik ben niet moeders mooiste”, hoorde hij zichzelf ruw-onverschillig zeggen. Zelfs zijn stem was te lelijk voor de kamer.
Hij voelde zich een idioot. Hij pakte zijn broek en schoof zijn benen er in.
Ze kwam voor hem staan, sloeg haar vlezige, lelijk getatoeerde armen over elkaar en schudde haar donker vlammende haar naar achteren.
“Neem nou geen overhaaste beslissing. Ik heb toch een gezellig honkje? Je bent trouwens een knappere vent dan mijn laatste vriendje. Die zichzelf een godsgeschenk vond.”
Hij wist het wel; ze moest ook leven. Ze was een forse vrouw – daar had hij beneden met een rood hoofd om gevraagd - en toch had ze overal rondingen. Geen manwijf. Ze voelde vast heel zacht aan. Maar ze zou blij zijn als hij vertrokken was. Of niet?
Komen hoeren wel eens klaar bij klanten?
Hij kende vrouwen zo slecht.
Hij knoopte zijn broek dicht en schoof zijn blote voeten in zijn teenslippers, haalde zijn portefeuille tevoorschijn en legde nog wat bankbiljetten op het kastje naast het bed.
“Omdat je aardig tegen me b-”
Ze deed iets.
Zijn broek gleed weer omlaag.
Ze maakte hem weerloos.
Gelukt, zou een verloskundige gezegd hebben tegen een moeder met een stuitliggende baby.
Het verlaten van de hoerenkast gebeurde zonder dat hij verkeerde deuren opende. Buiten haastte hij zich weg langs de gracht.
Op de brug een paar honderd meter verderop bleef hij staan, plotseling misselijk.
Het was geen openbaring geweest. En te snel voorbij.
Hij keek omlaag. Grachtwater was altijd groenig slijmerig. Je las wel eens dat iemand verdronk, in een gracht. Hij wist niet hoe diep het hier was.
Langzaam liep hij door. Hier niet, dacht hij. De dag dat hij doodging hoopte hij helemaal alleen te zijn. Uit het zicht.
Hij keek omhoog. De zon stak in zijn ogen. In zijn nek en onder zijn armen vormden zich zweet.
In de tram vroeg hij zich af of het beter was gegaan als het een kille, druilerige dag was geweest. Helmer vroeg zich ook af of hij niet beter gewoon thuis had kunnen blijven en zich een stuk in zijn kraag drinken.
Reacties
Een reactie posten