# 2 - Beroeringen

Een drol naar buiten werken is voor een man
soms als het baren van een kind. Vooral als er
harde stukjes in zitten. Maar als ie de juiste
maat en samenstelling heeft en met een
bepaalde snelheid langs je prostaat roetsjt,
is het vergelijkbaar met klaarkomen.
Helmer J. Koerts

Hoewel Jory Gevorgyan's biologische klok goed afgesteld is, kan hij het gebruik van het mobiele toilet niet altijd vermijden. Hij haat die dingen.
Het bestaat uit een grote tank met een gat in een afdekplank. Daarin, diep beneden, klotst een blauwe zee van ontsmettingsvloeistof. Elke plas erin klinkt als een donderende waterval, elke uitwerpsel slaat in als een dieptebom. Vooral in stille ochtenduren zijn de holle plonzen goed hoorbaar. 
En Jory's maat trekt het deurtje niet achter zich dicht. 
Opzettelijk.
“Effe het uitslapen van de uitkeringstrekkers hier verzieken”, pleegt Helmer Koerts te zeggen. Of “VVD-zuigers”, wanneer het een bovenmodale wijk betreft.
Het darmenserviceverblijfje zwiept naar voren als hij weer naar buiten stapt. “Pom-pommerdepom” neuriet hij, terwijl hij de hemel keurt. “Ik neem links.”
Jory buigt zich de bus in om er zijn tas met lunch uit te halen, waarbij hij struikelt over de trekhaak die achterop de bus zit. Hoewel onmiskenbaar een bouwvakker, knettervloekt hij niet.
“Turrek?”
“Is goed, Helmer.”
Vraag en antwoord zijn na drie jaar weinig meer dan een ritueel- ze weten van elkaar wie er graag in het zonnetje werkt en wie zo verstandig is om dat niet te doen. (zonnewarmte doet je verf sneller drogen dan je kwast aan kan brengen, aldus een expert)
Terwijl Koer
ts zijn eigen spullen uit de bus pakt, maakt Jory de luiken voor de raampjes van de keet open.
Hij volgt zijn maat naar binnen. 

De honderdvijftien kilo's die achter Helmer aan komen stommelen brengen het totale gewicht nu op tweehonderd veertig. 
De keetvloer kraakt.
De helft van de schaftruimte wordt in beslag genomen door twee korte houten banken met een aan de wand vastgeschroefd tafelblad middenin. Er is achterin ook een wasbakje gemonteerd, met -
Jory zorgt daar elke nieuwe werkdag voor - een schone handdoek aan een haakje. Meestal lila handdoeken, maar Helmer noemt dat minachtend "roze!"
Boven de linkerbank hangt een collectie schots en scheef opgeplakte foto's. 
'Mijn prille poesjes', noemt Koerts ze, al poseren de dames met trendy kaalgeschoren poesjes en is hun makeup jaren zestig hoerig, de poesjes zijn dus niet vers meer. Op de wand boven de rechter zitbank zijn twee velletjes papier geplakt: iets onleesbaars, en twee duidelijke filosofieën:
Sometimes I think we're alone in the universe, 
sometimes I think we're not.
In either case the idea is quite staggering.
(Arthur C. Clarke)

Te veel naaktheid is een afknapper.
In het bijzonder als al dat bloot
aan een enkel persoon zit.
(Jory Gevorgyan)
Op de Gevorgyan quote staat in hanepoten geschreven: 
gelul,
Turrek!

Op het glimmende formica onder het kopraam, stalt Gevorgyan zijn schaftspullen uit. Hij ontdoet zich van zijn loafers en gaat zitten. Zijn sokken zullen niet vuil worden van de vloer; hij en Koerts houden het vinyl in de keet even schoon als een huisvrouw het linoleum in haar Ikea keuken. En daarbij draagt de Turk altijd zwarte sokken, dat scheelt.
Koerts besokt zichzelf alleen in de koudste van de wintermaanden, en het zijn dan onveranderlijk heel erg witte. Hij draagt zijn sokken nooit langer dan één dag. Hij houdt thuis stapels nieuwe in voorraad.
“Was je handen, Helmer.”
“Ekskuuze mwah?”
“Als je naar de wc bent geweest.”
“Niet meuten. Er zit een natuurproduct op mijn vingers en aarsmaden heb ik nooit, die komen er bij mij niet in.”
Jory schroeft de beker van zijn thermoskan. Zijn maat begint elke ochtend met een blikje Schweppes Tonic. Hij drinkt het in één keer leeg, boert, schopt zijn Nikes in een hoek en kleedt zich pom-pommerdepommend uit tot op zijn vel.

Het luidruchtige exhibitionisme - Koert's gedrag is voor geen andere uitleg vatbaar - doet altijd pijn aan Jory's ogen.
Helmer Koerts ziet het anders. Als er geen nudistenstranden waren geweest, had hij ze bedacht en opgericht. “Wij zijn de lelijkere onder de dieren”, is zijn credo. “Dat interesseert andere beessies geen hol, die reageren alleen maar op geuren en kleuren. Maar omdat wij wat te schamen willen hebben, houden we ons voor elkaar afgedekt.“ 
Hij roffelt zijn knokkels tegen zijn slaap. “Niet goed bij z'n knar; Mens!”
Ze hadden er een keer onenigheid over. Toen Jory voor het raampje naast Helmer's vaste zitplaats met kleefband een stuk vitrage ophing.
”Wat een onzin!”
”Oma aan de overkant vanachter haar sanseverias- ik wil niet medeverantwoordelijk zijn voor haar hartaanval, meneer Koerts.“
“Ze is zelf toch ook naakt geboren?“
Maar Helmer prijst Jory's fraaie volzin.
“Je kaak is zeker wel moe, nu?“
Helmer verdedigt zijn naaktdrang regelmatig. 
“Ik heb een lekker lijf. Vind je ook niet, Joowrie? Ik kan zó poseren voor een marmeren beeld van Herkules.
Helmer bewondert de mythologische halfgod mateloos. Tussen zijn 'poesjes' hangt een voorstelling van Herkules; een Renaissance gravure van Hendrick Goltzius met extreem zware spierbundels, waar Koerts met balpen een zwaar geaderde penis aan toevoegde. Oftewel; hij dwong zijn maat dat te doen, Helmer is niet goed in tekenen. “Hier ook nog een zwellend adertje! Wist je dat Herk de eerste blootloper in de geschiedenis was? En dat ie alleen maar een leeuwenhuid droeg, maar nonchalant over een schouder? Hij blootpiemelde z'n leven lang. Zelfs op zijn trouwdag was ie helemaal au naturel. Ik vind alleen dat hij te klein piemelde. In kunst. M'n schaakmaatje Anton heeft een berg kunstboeken en liet het me zien. Herk's flubbertjes zijn gewoon belachelijk! Je bent geen echte man als je kleinpiemelt.“
Er zijn klussen geweest waar Koerts herkulessiaans stond te schilderen. Het was dan Jory Gevorgyan die zich voelde alsof hij als medeplichtige gearresteerd kon worden. Terwijl hij overduidelijk de zedenwet niet schond!
Zijn maat lijkt zich op zulke momenten van geen kwaad bewust. Helmer Koerts windt nergens doekjes om: ook niet dat hij, behalve een trots nudist, een overtuigd racist is. Zijn stevig verankerde opvatting dat de blanken van huid het absoluut superieure ras vertegenwoordigen staat echter lijnrecht tegenover zijn schier religieuze devotie aangaande een strand- en zonnebank tint. Die zelfs zó ver gaat dat hij het ontbreken van pigment in zijn handpalmen en voetzolen betreurt. 
Het is een feit dat Jory’s eigen 'kamelenkleurtje' vaak door Koerts' zomerbronzen gloed wordt overstraald.

Vandaag wordt er meer geshowed dan vroeg voorjaarsbrons.
“...Paasverrassing!“
Wetend dat er aan Helmers vlees nu eenmaal niet te ontkomen valt, blikt Jory naar wat zijn maat zich tijdens de voorjaarsvakantie heeft laten aanmeten.
Hij heeft al twee kettingen rond zijn biceps, in zwarte inkt. Het zilveren ringetje in zijn rechteroor heeft duidelijk model gestaan voor de vorm van de getekende schakels; vierkanten met afgeronde hoeken. De afronding geeft aan het tekenwerk wat Koerts noemt een 'lekker bonkig' effect.
Jory heeft weinig op met tatoeages, maar moet toegeven dat Koerts er het meest denkbare type voor is.

Nu is er dus een derde tatoeageketting bijgekomen.
Wat fijner uitgevoerd. 
Deze omspant - Jory is niet eens verbaasd - Helmer's jongeheer. Om de basis. Een goed zichtbare plek, want Koerts doet niet aan schaamhaar. Wat Helmer's eufemisme is voor zijn Alopecia Universalis aandoening. Een fysieke eigenschap waar zijn maat hem om benijdt. Zozeer, dat het Jory's nogal gammele zelfbeeld in grote mate heeft bepaald.
“De schakels zijn extra berekend op rek”, wijst Helmer, die de intieme decoratie alleen via een spiegel of na een rigoureus bierloos jaar moeiteloos kan bekijken. Maar voor een demonstratie heeft hij geen spiegel nodig. Slechts wilskracht.
Jory doet alsof iets in de krant zijn volle aandacht trekt. Zelfs na drie jaar Koerts kent hij nog steeds grenzen- erecties, meent hij, horen in pornotijdschriften en films, niet in een bouwkeet!
Waar hij bij zijn maat niet mee aan moet komen.
“Preutse. Je keek nauwelijks.”
Jory slurpt van zijn Kanis & Gunnink koffie.
“Het is maar een ventiel, Baardmans. Trek je 's af, dan kom je er misschien achter dat je er zelf ook eentje hebt. Maar komt de mijne weleens omhoog? Zekerswel. Ik ben een man. Met deze staaf werd Adam geschapen! God blies erin zoals je doet met een ventiel. Adam had het nodig om nageslacht te kunnen creëren. En of het zo moest wezen zit er aan de penis een prettig genotsmechaniekje vast- heel vooruitziend!”
Als altijd krijgt Jory kippenvel wanneer hij de nonchalante manier ziet waarmee Helmer zijn over-geproportioneerde handel in zijn schildersbroek schept, en de metalen rits er in één ononderbroken beweging overheen laat roetsjen.
Onderbroeken draagt übermensch Koerts niet. Onderbroeken zijn voor gereformeerden en moslims, zegt hij vaak, en zegt dat ook op deze ochtend- Helmer denkt dat Gevorgyan een beetje hardhorend is, of vergeetachtig.
Hij ploft neer op de bank tegenover zijn maat en klikt een blikje Tonic open.
“In je overall op het werk, in je overall weer naar huis. Waarom kan dat niet lekker bloot! Achterlijke schilders.”
“Hm-m?”
Helmer versmalt zijn ogen.
“...Toch krijg ik het voor m'n pensionering nog te zien, 'k zweer het je. Of jij zo’n befaamde Arabierenlul hebt, of een Chinees pindaatje.
Jory reageert niet.
“En of het haar op je reet stijl is, of kroest.”
Koerts heeft een keer gezegd dat hij het stoïcisme van zijn maat verbazingwekkend vindt. “Op het gekmakende af!“
Stoïcijns? 
De gloed die soms, zoals nu, van Jory's gezicht komt moet de ander letterlijk kunnen voelen.
Helmer Koerts heeft gelijk-- hij is preuts. En Jory haat het. Maar als blote Hercules heeft Helmer dat tot nu toe niet kunnen veranderen.
Jory overweegt sinds kort in therapie te gaan.
misschien kan een psychiater me genezen van datgene waar Helmer me onophoudelijk mee jent
“...Hee, je kan kijken, hoor. Het bewijs van mijn viriliteit is weer weggeschrompeld.“
“...Kleed je aan, Helmer. Asjeblieft.“
“Ik ben al aangekleed! In een keurige voorhuid.“
Jory zucht. Maar onhoorbaar.

Jory Gevorgyan, 'de Stille'.
Niemand weet dat hij tijdens het werk, in plaats van eindeloos ouwehoeren, in zijn hoofd een gedicht componeert. Zoals nu. De titel heeft hij al. 'de Straat'.
 
vertroebeld staart ze uit het raam
door een scherm van geraniums en
sanseveria's, gezonder
dan zij

langzaam stolt het hedendaags bewegen
steeds vaker vloeit haar aandacht weg
naar de verloren tijd; levendiger
dan zij

langs de stoep een bos van auto's
een woud van straatlantaarns, ontworpen voor
een ongrijpbare toekomst; rechter, strakker
dan zij

de straat is de straat niet meer, de straat
was de stad, en de stad was
de wereld ouder
dan zij




Reacties