# 19 - Beroeringen

de meest begeerlijke
vrijgezel
volgens mijn hospita
Helmer J Koerts, T-shirt spreuk

Helmer zit thuis en heeft flink wat biertjes op.
Hij is naar zijn stamcafé gegaan, maar daar niet lang gebleven. Het is maar de vraag of hij het nog zijn stamcafé kan noemen. De jongens die hij daar kent lijken hem te mijden tegenwoordig. Zelfs het barpersoneel.

En de wijven- ze schijnen op hem uitgekeken.
nee afgeknapt al vanaf het begin
“Kotsen vamme, zegt hij zacht, starend naar tv beelden die hem niets zeggen terwijl hij de lege bierblikjes een voor een onder zijn vingers vermorzelt. Ik faal.
Omdat hij, als hij eenmaal beet had, vervolgens afhaakte. 
je wilt ze niet eens koerts
je wilt  Er loopt bloed uit de muis van zijn hand. Hij houdt de snee een tijdje onder koud stromend water, doet er een pleister op. Daarna pakt hij de telefoon en belt de man in de kamer naast hem. De therapeut zonder diploma's maar met een leven aan ervaring; Anton.
Hij neemt niet op.
“Lul”, mompelt Helmer. Hij doet de tv uit. Trekt een bodywarmer over zijn blote lijf, schiet een boxershort aan, propt vier koude blikjes in de zakken. Slingert op blote voeten de trap af, langs de deur waarachter mevrouw Rozema's televisie te horen is, en gaat buiten op de stoep zitten.

...Ben je van je kamer gegooid?
Waah wazje. 
“Uit”, zegt Anton Steenvaren. Achter hem rijdt de taxi waarin hij is gekomen weg. Op de achterbank zwaait een niet meer zo jonge maar goed gekapte vrouw naar hem. “Hmmm. Da's goed- is nie gezond alleen tezijn Anton.”
“...Je hebt 'm flink om, hè?”
“Anton. Hejje 'n kalletje?”
Steenvaren lacht, en neemt ietwat moeizaam plaats naast Helmer.
“Hoezo? Straal ik als een aanstaande bruidegom? Ja. Ik heb een kalletje.”
“Goffer”, zegt Helmer. “Ouwe viezelik. Nou, geflelili...dingesd.”
“En ze is hier twee keer op bezoek geweest, en ze is niet gebleven. Omdat mevrouw Rozema ons dan niet wekt met ontbijt op bed maar met haar formidabel fronsende wenkbrauwen.”
Steenvaren wimpelt het aanbod van een blikje af.
“Ik ken haar al heel lang. Ze is sinds een half jaar weduwe. En sinds kort... Maria en ik zijn tot een overeenkomst gekomen. Oftewel, het is serieus geworden tussen ons. Inclusief dat.”
“V...vandattum?”
“Van dattum”, grijnst Steenvaren.
“Uitraar. Neuke moejje toje dood blijvedoen.”
“Ze is ook goed in schaken.”
“...Zso! Helmer op z'n sg...schaakstmatst.”
“Ik vind het rot voor je. Maar ze heeft een eigen flat. Het zou de relatie niet ten goede komen als ik dan in een pension bleef zitten.
Ga mee naar binnen, dan zullen we zien wat we er aan kunnen doen. Het enigszins nuchter worden, bedoel ik.
...Gaat het, Helmer? Of heb je mijn wandelstok nodig?”


De VW-bus remt af voor rood en krijgt een opduvel. Kale is al achter het stuur vandaan gevlogen. Jory gaat er haastig achteraan.
“…kontkruiper waarom ligt die pooierbak van jou niet helemaal in de kreukels?! Moejje mijn bumper zien!”
De automobilist rijdt een stukje achteruit en draait tegelijkertijd zijn raampje dicht, maar Kale weet zijn arm binnen te krijgen en de grote zonnebril van het gezicht van de automobilist te slaan. De motor hikt en zwijgt.
“-En kijk me aan als ik met je praat!”
“Helmer,” zegt Jory. Er staat nog geen verkeer achter hen, maar er zijn voorbijgangers stil blijven staan. Helmer's stem draagt ver wanneer hij kwaad is.
Hij wil nu met gebalde vuist het inmiddels gesloten zijraampje inslaan met de bedoeling de bestuurder door het gat naar buiten te trekken.
Jory houdt hem tegen. “Doe niet zo stom!”

Binnen doet het stuk onbenul verwoede pogingen om de afgeslagen motor weer aan de praat te krijgen.
“Het is verzekeringswerk, kom op!”
Helmer laat zijn armen langs zijn zijden vallen en vormt zijn mond om tot een spottende O. 
“…Kijk, een held.”
Jory staart in een andere O; achter het glas. De loop van een vuurwapen. De stotterende motor pakt ineens, Jory trekt zijn maat achteruit als de auto met een scherpe zwaai om de bus gaat, de al flink gedeukte bumper een extra opdonder gevend. Op piepende banden scheurt hij naar rechts en verdwijnt slingerend om de hoek. 
“Er zat wat in het kofferbakkie, jaja,”  grijnst Kale. “Maar ik heb z’n kenteken-
Zijn gezicht betrekt.
“Shit. Ik ben het weer kwijt. Heb jij het onthouden?”
“Nee.”
Het verkeerslicht springt op groen. De inmiddels aangroeidende achterhoede toetert. Kale geeft de automobilisten de vinger en stapt in de bus. Aan de passagierskant. Jory klimt achter het stuur, start en geeft gas.

“...Een vuurwapen is laf. Als je het niet me je vuisten af kan, ben je een stuk snot.”
Jory knikt.
“Nietwaar, Baard?”
Jory bromt instemmend.
Kale vlijt zich scheef tegen het portier en slaat zijn armen over elkaar. 
“Ik zou een goeie voor de prehistorie zijn geweest. Simpele wetten en regels, niks zonnebrillen, gewoon eerlijk in de ogen kijken terwijl je mekaar het licht uit de ogen slaat.”
Kale is gehecht aan de zeven jaar oude bus, en is er zuinig op. De aanrijding heeft hem overstuur gemaakt.
“Kale... ik ruik dat je gedronken hebt.“
“...Eén flesje verdomme!“
“Doe dat nooit weer. Op de weg.“
Jory's maat knikt.
“Ik wil een eerlijk antwoord.“
“Ik beloof het. Het was dom. Ik wil niet dom zijn.“
Helmer's ogen zijn nat.
“...Klapzoen, verstandige?“
Ditmaal is het iets meer dan dat. Heel even- Jory moet zijn ogen op de weg houden.

Een paar weken eerder was er een ander incident, ook op de weg. Ze zaten in het vroege donker van de novembermaand op een tweebaans en reden over iets heen. Jory moest een signaallamp op de weg zetten, want Helmer zat plat op zijn achterwerk midden op de hoofdbaan te grienen met een hoopje bloederigheid in zijn armen.

ik ben lichter dan hij en een halve kop kleiner maar beschik over meer lichaamskracht en een voorzichtiger aard. 
Des te wonderlijker is het gevoel dat hij altijd bij Helmer Koerts heeft. Van zich beschermd weten. 
door een vaderfiguur die tien jaar jonger is dan ik ben 
Maar de vaderfiguur wordt steeds impulsiever en opvliegender.




Reacties