# 15 - Beroeringen

Neuken is een mooie uitvinding.
Maar het is soms ook saai.
Ik probeer me wel eens voor te stellen te seksen op de bodem van een zwembad - met een zuurstofflesje erbij. Of in een badkuip vol stroop, of tijdens parachutespringen.
Hoe het is om te seksen op de stalen bint van een wolkenkrabber in aanbouw. 
Het moet ook een hele ervaring zijn om het in zo'n ruimteveer te doen, waar je gewichtloos bent.
Je hebt ook lui die een wip maken tussen spoorrails.
Al denk ik dat ik met een aanstormende trein toch wat moeite zou hebben het tot een bevredigend einde te brengen haha.

uit het dagboek van Helmer J. Koerts


“…Kale?”
“is niets”
Helmer wil zijn ogen gesloten houden. Zweet gutst langs zijn gezicht.
Binnenplaats, omsloten door kantoorblokken, in elk ervan een boogpoort. De vrachtwagens en bestelauto’s beneden lijken Dinky Toys.
Hij heeft dit al zo vaak te zien gekregen. Het is als aan het begin van een rechte straat staan en naar het einde ervan kijken.
Helmer schuift zijn hoofd en bovenlijf nog een stukje verder over de rand.
Het is niet dat de stucte lijst onder hem die hij moet insoppen te laag zit. Zijn arm is een kilometer te kort.
ik kiep
Helmer probeert zijn blik op de verfroller gericht te houden. onzin ga niet kiepen niet 
vallen
Angst vlamt door hem heen. Zijn tenen en knieën en de elleboog van zijn vrije arm proberen zich in het losse grind onder hem te begraven. In het asfalt eronder. In de kelders van het complex. Het gebouw telt niet meer dan acht verdiepingen 
er zijn hogere gebouwen
Maar de binnenplaats is een koker die zichtbaar versmalt en waarvan de periferie steeds donkerder lijkt te worden, er is alleen nog het midden, het diepe midden met een putdeksel als een starend cyclopenoog. Het oog trekt aan hem, hij voelt de kiezels onder hem bewegen, naar voren wentelen, hem meedragen naar dat eindeloze bodemloze-
Hij begint te jammeren.
Twee handen sluiten zich om zijn enkels en trekken hem weg van de rand.
“Kale we kunnen niet vliegen.”
Helmer laat zijn gezicht op zijn armen zakken. Hij heeft de verfroller niet langer vast. Die ligt nu ergens beneden, in een kring van weggespatte betonverf, vertelt Jory hem, als van heel ver.
ik had er naast kunnen liggen
als een natte rode vlek.
“...Gaat het, Helmer?”
“oh shit man”

Baard zit gehurkt naast hem en zegt iets over naar de bedrijfskantine gaan en een bak koffie drinken en dat hij het wel afmaakt.
“Doen we het zo, Helmer?“
Het duurt even voor Helmer rechtop op zijn benen kan staan staan.

“Ik heb geen hoogtevrees.”
Een tafeltje in de verlaten personeelsruimte van Brann Imports & Exports. Een klok aan de wand geeft kwart over twee aan.
“Ik heb geen hoogtevrees.“ 
Hoofdschuddend. “Echniet.“
Kale roert in zijn koffie.
“Soms. Als een zesdelige ladder niet stabiel staat. Of ik moet een dakgoot in die- die driehonderd jaar oud is en gewoon niet gemaakt is om in te lopen en...”
Het lepeltje draait en draait.
“...Dit hier is een groot, plat dak. Ik hang niet over een wrakke dakgoot, het is een dikke, uitstekende betonnen rand, en ik weet niet waarom ik- ik weet het niet.”
Kale scheurt een derde zakje suiker open.
“Ik heb het ook wel eens.”
“Het is niet meer dan veertig-- vijftig fukking meters ik bedoel wat is dat nou,” zegt Kale met een stem die klinkt alsof gevangen in een bankschroef.
De suiker belandt voor het grootste deel op de tafel.
Jory steekt een hand uit en schuift het schaaltje suikerzakjes buiten Helmer's bereik.
“Ik... ik heb in hoogsp--hoogspanningsmasten gezeten onder een spoorbrug gehangen driekwart-”
“Helmer.”
“-van m’n windbestendige lichaam ligt plat op dat fukking dak, volgens de natuurwetten kan ik niet eens vallen.”

Jory kijkt hem zwijgend aan.
Kale's mond is verkrampt. “Sjeeses.” mompelt hij, roerend.
“Maak er niet zo’n probleem van.”
“-Jij hebt makkelijk praten!”
“Ik ben eens van driehoog van een ladder gedonderd. In m'n stagetijd. Ik scheurde m'n pink.”
Kale schudt zijn hoofd. “Gewoon geen aandacht aan me schenken Baard gewoon-”
“Dit gebeurt ons allemaal wel een keer.”
“-ik zei geen aandacht aan me schenken kameleneuker!”
Helmer Koerts beseft hoe slecht hij zichzelf in de hand heeft. Hij wrijft over zijn gezicht, zijn nek. “Sorrysorrysorry.”
Zijn andere hand probeert het kopje neer te zetten. Het takketakketakt tegen het schoteltje. Zweet drupt langs zijn slapen. In zijn ogen verschijnt pure wanhoop. Onder tafel zoeken zijn benen Jory’s knieën.
“Helmer…”
“Lijmklem”, zegt zijn maat schor.
Hij komt niet bij Baards knieën, de kantinetafel is te groot, Helmer draait zijn stoel een kwartslag en deponeert zijn ontbijt op de vloer.
“Jheez”, zegt hij, hoestend. “wat doe 'k nou-”
Jory staat op om bij de verschrikte buffetjuffrouw een emmer heet water en een mop vragen.

“…Wat een pokkenkarweien krijgen we af en toe toch te doen,” zegt Helmer aan het einde van de dag.
“Zo’n gevelband van een halve meter hoog, de graflul die dat ontworpen heeft moet mij nooit tegenkomen.”
Jory zwijgt terwijl hij de spullen in de lift zet.
Helmer heeft de rest van de middag de meeste meters gemaakt en zelfs een keer naar een omhoogkijkend iemand beneden gezwaaid.
“Joehoe, schatje!”
Jory kon niet eens met zekerheid zeggen of het een vrouw was of een man. Maar dat is Kale. Geen betere ogen. Wel meer willen bewijzen dan nodig is.
In de bus vraagt Jory: ”...Gaat het weer een beetje?”
Het antwoord ziet hij in de grijsblauwe ogen.
Helmer Koerts schaamt zich.
“Helmer?“
“Baard... Ik ben nooit eerder bang voor de dood geweest...Je z- je ziet me op m'n zwakst-“
“-Zeg, hou 's op? Ik zag je op je sterkst! Je vocht er tegen. Dat is feitelijk winnen, Helm.“
Leunend tegen zijn maat begint Helmer Koerts te snotteren.
”Het is goed, joh. Ik hou van je. Dat weet je toch?”

Helmer Koerts heeft de week erna geen aanwijsbare werkproblemen, maar is ontoegankelijk.
”Helmer... het slijt wel.”
”...Ik wilde de Lijmklem-- het ging verdomme niet eens...”
Jory schenkt hem een halve glimlach. ”Nu dan?”
”Nee. Ik ben het ontgroeid.”
Jory geeft hem een klapzoen. ”Je komt er wel. Met volwassen worden.”

De klapzoen helpt niet.
”...Ik stop ermee ik neem m'n ontslag.”
Jory kreunt. ”Dat is dan de derde keer deze week. Hoe vaak moet ik je daar nog van afhouden??”
”Jory...ik ben een lafaard. Een schijtebroek.”
”Je hebt een trauma. Ga met de bedrijfsarts praten!”
”D...die zal het ook constateren. Ik ben een weekdier.”
--Koerts, toe nou!
Het is aan me te zien!
Jory kan niet ontkennen dat zijn maat er sinds het bijna-ongeluk slecht uitziet.
”Helmer, je maakte die gevelbanden af. En ja, daarna ging het mis. Maar ik zag geen weekdier. Ik zag een man die probeerde zichzelf in bedwang te houden. Je vocht met jezelf.”
...de angst...voor vallen...”, zegt Helmer kleintjes.
”Hmm. Het vallen is het ergst, ja. Voor drie seconden. Het neerkomen voel je niet.”
”Sjeezus wil je van me af...”
”Het is gewoon zo.”
Jory vouwt zijn handen over Helmer's witte knokkels. ”Luister naar me. Als jij dood valt, zit ik met een groot gat in m'n leven. Maar als jij je hier niet over heen zet, gaan we gewoon allebei de kreukels in. Helmer... begrijp dat ik nooit een andere maat zal kunnen verdragen.”
schilder Gevorgyan is verslaafd geraakt aan schilder Koerts denkt Jory. 


De balletschool waar ze werken is op dit moment verlaten. Helmer staat voor één van de oefenspiegels waarvan het afdekpapier is losgescheurd. Hij is helemaal naakt. 
Jory is daar nu wel aan gewend, hij heeft een lekkerder lijf dan ik, maar denkt ook gelukkig is er niemand anders in het gebouw
”...Helmer wat ben je aan het doen.
”...Kom hier.

Jory zet zijn verfemmer neer. 
”Wat is er?”
”Hou me vast.”
”Oké... je moet gewoon proberen-”
”-Het is voorbij. Ik ben niet bang meer. Het is zoals je zei, je vliegt heel even, en daarna hou je op te bestaan.”
Jory trekt een grimas.
”Maar dat vallen, hè? Weten dat er geen weg terug is... Ik ben toch bang dat die angst blijft.”
”Hm-m. Je overlevingsinstinct komt in actie, het is een reflex. Een te late. Er is letterlijk niets om bang voor te zijn. Je krijgt geen tijd om bang te zijn.”
”...Professor in de angstwetenschappen.”
Jory grijnst. 
de starre blik is verdwenen
”Is het over?”
”...Alsof ik op een knopje drukte.”
”Dat is mooi. Maar voordat je onbezorgd een niets in duikt, wil ik je toch nog een paar keer vasthouden en je besnuiven. En het kan me geen ruk schelen wanneer anderen dat zien.”
”Aandachttrekker.”
Niemand ziet het; twee mannen onmannelijk samen.
”O”, zegt Helmer ineens, schaapachtig. ”Deed ik dit?”
En trekt zijn overall over zijn bloterieën aan.
”Wat jammer”, grinnikt Jory. ”Honderden plotseling terugkerende balletmeisjes gaan nu iets mislopen.”

”...Baard...Jory? Ben ik abnormaal?”
Ze ruimen de de spullen op. Alle spiegels zijn weer papiervrij, maar Helmer houdt zijn kleren aan.
”Effe serieus?”
Jory schraapt zijn stopmes schoon.
”Ik bedoel mijn manie om m'n kleren uit te trekken.”
”Hmm. Het is ongebruikelijk. Maar je hebt absoluut gelijk met je overtuiging dat naakt zijn natuurlijk is.
Met een zucht, ”Dat vertel ik mezelf elke dag.”
”Ik zal gewoon nooit aan kleren wennen”, moppert Helmer,
”Nou, ik ben jouw onwennigheid inmiddels wel gewend, Helm.”
”...Ik droom er van, weet je. Jij en ik op een klus. allebei totaal nakend.”
”En jij met een knots van een erektie”, grijnst Jory.
”Ja, dat bedoel ik. Da's natuurlijk niet normaal. Helmer's mond trekt scheef. ”Maar het gebeurt gewoon. M'n hele lijf komt dan ineens tot leven.”
Jory bergt het stopmes op in zijn schoudertas en kijkt Helmer aan.
”Drie jaar geleden vond ik jou knap abnormaal. Geschiffeld. Nu vind ik iets alleen nog abnormaal als de abnormaliteit mezelf betreft.”
”Hmm... Je had het over therapie. Heb je die nu, Baard?”
Jory knikt.
”Jammer. Zo'n zogenaamde hersengenezer maakt je hersens alleen maar nog zieker.”
”Dat valt wel mee, Helmer.”
Zijn maat huppelt naar de spiegelwand, probeert een prima donna spagaat. Struikelend hervat hij zijn evenwicht.
”Stijve hark!” spot Jory.
”...Die, eh, sessies worden natuurlijk met kleren aan gedaan?” wil Helmer weten.
”Dat vind ik niet erg.”
”Maar merk je nou wat? Dat je die gekmakende schaamte aan het kwijtraken ben?”
Jory's wegkijken zegt Helmer genoeg.
”Als ik daar zou zitten gaat alles uit, 'k zweer het je. Want ik zeg gewoon, kijk-- dit is mijn psychische probleem. Mijn lichaam! Is wat anderen me vertellen. 
Hoe zet ik ze af.”
Jory schudt zijn hoofd. ”Maar voor jou is het dat niet. Een probleem.”
”Persies. Dus ik kom daar nooit terecht. Bij een psychiopaat.”

Helmer kijkt weg. 
Hij weet dat hij liegt.

Reacties